Historische betekenis en ontwikkeling van  parken en netwerken van openbaar groen

Lange Voorhout, The Hague, The Netherlands © atelier GROENBLAUW, Amar Sjauw En Wa

Historische betekenis en ontwikkeling van parken en netwerken van openbaar groen

Thema's

Elisabeth Lichtenberger geeft in haar bijdrage, ‘Überblick, die Function von Grünflächen’ in het boek Stadtökologie een goede samenvatting van de sociale achtergronden van de ontwikkeling van het groen in de westerse steden die onderstaand in hoofdlijnen gevolgd wordt.

Groengebieden in de stad hebben in de geschiedenis van onze westerse steden traditioneel de functie representatie, welzijn of stadshygiëne.

De terrasvormige tuinen uit de Renaissance en de landschapstuinen uit de 18e en 19e eeuw zijn voorbeelden van representatie. Terwijl de representatieve pronktuinen te danken zijn aan de politieke elite, zijn de gazons tussen de blokken van de sociale woningbouw een gevolg van de democratisering [Lichtenberger, 1998]. Volksparken zoals het Central Park in New York zijn alleen in westerse maatschappijen en voormalige socialistische landen te vinden en hebben een vermaak- en recreatiefunctie voor de burgers. Een planningspolitiek en een planningsinstrumentarium zoals stadsontwikkeling en structuur- en bestemmingsplannen zijn een voorwaarde voor de realisatie en het behoud van publieke groengebieden. In de praktijk blijft groen ondanks de politieke wil en het aanwezige instrumentarium een randverschijnsel ten opzichte van de zich steeds meer uitbreidende bebouwing en verkeersruimten. Groengebieden binnen de steden zijn en blijven kwetsbaar. Groengebieden met hun beperkte financiële opbrengst moeten zich in de stad handhaven in een systeem dat gericht is op economisch rendement. Alleen door de groengebieden in hun functie te omschrijven en te beschermen blijven ze behouden maar ze staan continu onder druk. [Lichtenberger, 1998]

Landschaftspark Duisburg, Germany © atelier GROENBLAUW, Amar Sjauw En Wa

De laatste decennia krijgt naast de door de mens ingerichte en beplante groengebieden ook de spontane vegetatie haar plek in de stad. Dit komt door de aandacht uit de milieubeweging die deels overgenomen wordt door de officiële planning. Een voorbeeld hiervan is het Landschaftspark in Duisburg (Duitsland). Ook krijgt groen als bioindicator betekenis. Zo worden bepaalde planten zoals mossen gebruikt als bioindicatoren die de graad van verstoring of vervuiling in een bepaald gebied aangeven. De aandacht voor stedelijke ecologie is voornamelijk ontstaan in universiteitssteden zoals Freiburg en Tübingen in Duitsland en Amsterdam, Utrecht en Wageningen in Nederland en heeft zich vertaald in fundamenteel onderzoek en milieudata- en informatiesystemen. Deze datasystemen zijn in Europa afgestemd op de parameters uit Brussel [Lichtenberger, 1998]. De aandacht voor de stad vanuit de milieubeweging heeft weliswaar geleid tot milieudatasystemen, onderzoek en enkele duurzame pilots en intenties, maar heeft tot nu toe niets veranderd aan het concept van de stedenbouw dat gebaseerd is op arbeidsdeling, functiescheiding en maximalisatie van grondopbrengsten. Afgezien van enkele utopische modellen is het nog niet mogelijk gebleken om een nieuw concept voor een ecologische stad te ontwikkelen en te realiseren. De verduurzaming van de stad is nog een groen sausje over wezenlijke elementen als infrastructuur voor verkeer, energie, watervoorziening en voedselproductie. In onze economische en maatschappelijke organisatie is niets veranderd. Nog blijven we voornamelijk steken in microcosmetische operaties zoals groene daken, groene gevels en verkeersluwe zones. [Lohrberg, 2001]

Enkele pilots zoals de hierna beschreven wijken Hammerby en EVA-Lanxmeer steken hier bovenuit. Opvallend is dat in de succesvolle meer integrale pilots de bewoners een meer bepalende en verantwoordelijke rol is toebedeeld.

Wij maken deel uit van een spannend tijdperk waarin aan de ene kant de internationalisering en centralisatie door economische unies zoals de EU en multinationals zich doorontwikkelen maar aan de andere kant de burgers zich meer zeggenschap toeëigenen zoals verderop in het hoofdstuk over stadslandbouw en decentrale energiebedrijven beschreven wordt. Het is spannend hoe een op groei gericht maatschappijsysteem zoals het onze uiteindelijk zal omgaan met de meervoudige crisis op het gebied van milieu, economie en het sociale vlak.

De toenemende verstedelijking leidt onherroepelijk tot een grotere ruimtebehoefte voor verkeer, woningen, industrie en recreatie. Het gevolg is een toename van het gebruik van eindige grondstoffen en de productie van CO2 en afval. Hier moeten nieuwe afwegingen gemaakt worden voor stedelijke verdichting en/of uitbreiding.

De groene ruimtes van de groenblauwe netwerken kunnen verschillende functies opnemen: recreatie, voedselproductie, natuurontwikkeling, waterberging en -zuivering, productie van biomassa, aantrekkelijke en veilige routes voor langzaam verkeer, stedelijke longen en stadskoeling.

Verdichting zal meer druk op stedelijk groen betekenen en de aantrekkelijkheid en leefbaarheid van de stad bedreigen. In de praktijk zullen de grote steden zowel moeten verdichten als uitbreiden. Dit geldt voor de grote steden in Europa maar ook voor de megacities. Om onze westerse steden toe te rusten voor een postoiltijdperk zullen de voorzieningsstromen efficiënter en in slimme combinaties van centrale en decentrale structuren geregeld moeten worden. Dit geldt zeker voor de megacities waar in de meeste wijken niet eens voorzieningen aanwezig zijn en het ruimtelijk en financieel onmogelijk is om centrale voorzieningen aan te brengen. Door de uitbreiding van de steden groeien de steden over de grenzen van een centraal structureerbaar systeem heen en zullen groenblauwe netwerken, die verschillende kernen omspoelen, een waarschijnlijk efficiënter systeem en een absolute voorwaarde voor leefbaarheid vormen.

De uitbreiding van het verstedelijkt gebied gaat ten koste van oorspronkelijk agrarisch gebruikt gebied of ten koste van natuurfuncties. Meestal zijn dit juist uitermate vruchtbare gronden aangezien steden zich voornamelijk op locaties ontwikkelden waar ook de mogelijkheden waren om de groeiende bevolking te voeden. Het uit elkaar trekken van voedingsproductie en wonen zoals dat nu gangbaar is, is een ontwikkeling van de tweede helft van de vorige eeuw en kon alleen op zo’n grote schaal plaatsvinden door het gebruik van fossiele brandstoffen voor de productie van kunstmest, pesticide en transport. Eerder waren landbouwbedrijven nog veel meer verbonden met de stad en bevonden zich in de stad of aan de rand van de stad omdat het vershouden van producten en transport beperkt mogelijk waren. Ook waren de organische afvalproducten uit de stad nodig als meststof voor de velden.

In Nederland is in tegenstelling tot de meeste andere landen de directe verkoop van agrarische producten in de stad geen realiteit meer. Al in de 19e eeuw was een groot deel van de productie op export gericht en werkten “commissionairs” als tussenhandelaren en werd de productie via veilingen verhandeld. Het gebruikelijke systeem van directe verkoop van boerenproducten heeft in Nederland geen traditie en wint pas de laatste jaren langzaamaan op kleine schaal terrein in de vorm van boerenmarkten.

De toenemende verstedelijking van de afgelopen decennia draait de verhouding tussen stad en land om. Terwijl vroeger de verstedelijkte eilanden in een agrarisch- of natuurlandschap ingebed lagen zijn er nu in de delta’s met grote steden, zoals ook in de Randstad, alleen nog maar groene zones tussen de verstedelijkte gebieden aanwezig. In de internationale stedenbouwdiscussie wordt nu aan deze groengebieden tussen de diffuus uitdijende suburbane gebieden een structurerende functie toegekend. Niet meer de stedelijke bebouwing is een structurerend element van de stadsuitbreidingen zoals traditioneel gebeurde, maar juist de ertussen liggende met diverse functies belaste groengebieden. [Lohrberg, 2001]

Development of green areas in cities: 1. gardens in a walled city, 2. green ring, 3. green slabs, 4. greenblue grids

Deze groene tussenruimtes moeten binnen de heterogene bebouwing structuur geven, oriëntatiemogelijkheden bieden en identiteit verschaffen. En uiteraard kunnen deze groengebieden als onderdeel van groenblauwe netwerken de in dit boek beschreven opgaven en functies van de groenblauwe stedenbouw vervullen. Dit is geen volstrekt nieuwe ontwikkeling maar was al eerder onderdeel van het stedenbouwkundig denken en de stedenbouwkundige praktijk zoals hieronder beschreven.

KORTE TERUGBLIK OP DE FUNCTIE EN STRUCTUUR VAN STEDELIJKE GROEN

Frank Lohrberg geeft in zijn dissertatie met de titel: ‘Stadtnahe Landwirtschaft’ een overzicht van de relatie stedelijk groen en landbouw. Voor de volgende alinea’s is gebruik gemaakt van een inleidende samenvatting uit zijn dissertatie. Als reactie op de verstedelijking ten gevolge van de industrialisatie ontwikkelde zich aan het eind van de 19e eeuw de groenplanning als onderdeel van de stedenbouw. Aan het eind van de 19e eeuw beperkte men zich tot het aanleggen van groen binnen de wijken en in bouwblokken. In de stedenbouw van deze tijd was de bebouwing het vormgevingselement en het groen was een ondergeschikte aanvulling. Het groen was er voornamelijk voor de burger die tijd had om te wandelen en te zonnen. Daarnaast werden stadsrandparken in de vorm van landschapsparken voor recreatie aangelegd.

In deze tijd werden ook parkelementen die aan het romantische ideaal van landbouw herinnerden als uitspanning aangelegd, bijvoorbeeld een melkveehouderij of fruitteeltbedrijf voor de stedeling.

Vanaf het begin van de 20e eeuw werd het concept van de verbonden groengebieden ontwikkeld. Eerst als een groene gordel, zoals in Wenen om de stad, later door de bestendige groei van de steden en het verkeer meer als radialen, zoals in Berlijn.

Toen al was stadsventilatie naast recreatie de voornaamste reden voor de aanleg van deze groengordels bestaande uit bossen en weilanden om de stad. Delen van deze groengordels of radialen werden agrarisch gebruikt. De landbouw was een coulisse voor de burgerlijke recreatie [Lohrberg, 2001].

Akkerbouw was minder gewenst en paste niet in het toen heersende romantische beeld van de landbouw. Weilanden, schapen, koeien en fruitteelt daarentegen wel. Een groot deel van de groengordels bestond uit bosgebieden.

In 1910 werd voor Berlijn het idee van de radialen geopperd, voornamelijk om het groen de stad binnen te halen en de toegang tot de groene buitengebieden en stadsventilatie te realiseren.

De groene radialen waren stadsbossen of rivierdalen die met elkaar verbonden werden en een infrastructuur moesten vormen voor wandelwegen en recreatie. De radialen werden dan ook een bewuste verbinding tussen stad en land waarbij de groengordels meer een buffer vormden. Het radiale groenconcept hield ook rekening met de uitbreiding van de stad door de economische groei. Landbouw werd ook hier alleen in de vorm van weilanden en fruitteelt geïntegreerd. Akkerbouwgebieden werden omgevormd tot stadsbossen. [Lohrberg, 2001]

VISIONAIRE VOORLOPERS

Al in 1874 publiceerde Dohna Poninskas onder het pseudoniem Arminius een boek over stedenbouw waarin een hoofdstuk aan stedelijke groenstructuren gewijd was. Zij was hiermee haar tijd ver vooruit. In haar concept van stedelijke groenstructuren was ruimte voor boerenbedrijven als belevingselement voor de stedelingen. Ook vond ze de inrichting van tuinen waar stadskinderen konden werken, leren en recreëren van groot belang om psychische verkommering te voorkomen. Hoe meer speelplaatsen en moestuinen des te minder ziekbedden en zieken was haar stelling. [Lohrberg, 2001]

Group of slumless smokeless cities © Lohrberg, 2011, by Howard 1898, Bollerey e.a. 1990- Einband

The fertile landscape © Lohrberg, 2011, by Berlins, Migge 1933, Uhlig 1981-106

Begin 20e eeuw werden reeds decentrale modellen voor stadsontwikkeling bedacht. De beroemdste voorbeelden hiervan zijn de Gardencity van Ebenezer Howard en de gesocialiseerde ‘Kolonialparken’ en de tuinstadconcepten van Leberecht Migge.

Howard ontwikkelde met zijn tuinstadidee een alternatief voor de zich steeds meer uitdijende stad. In zijn model van een centrale stad die verbonden was met satellieten was er ruimte voor landbouw, verwerking van afval uit de stad en waterzuivering. In het tuinstadmodel van Howard was het groen productief en dit maakte de stad verregaand zelfvoorzienend. Hij benoemde reeds de inefficiëntie van de lange transportwegen. [Lohrberg, 2001]

De Duitse tuin- en landschapsarchitect Leberecht Migge ontwikkelde ideeën voor de socialisatie van het stadsgroen. Hij transformeerde het representatieve groen tot ‘Kolonialparken’ en moestuinarealen met een gemeenschappelijk middengebied. Migge werkte aan modellen om de tuinen en ‘Kolonialparken’ efficiënter te maken, maakte gebruik van organisch afval uit de stad en integreerde de stedelijke waterzuivering in de groengebieden. De concepten van Migge zijn in samenwerking met de architecten Taut, May en Wagner in Berlijn, Frankfurt en andere steden gerealiseerd. Deze bijzondere wijken bestaan nog steeds en zijn juist vanwege het vele groen zeer geliefd.

Ook in het concept van Corbusier ‘Ville Contemporaire’ zijn zelfvoorziening, landbouw en moestuinen nog vanzelfsprekende elementen. Dit waren geen privétuinen maar speciaal aangewezen geplande gebieden in de tuinsteden van de arbeiders. In het concept van Broadacre City van Frank Lloyd Wright hebben de bewoners moestuinen of wonen ze op kleine farms; hier worden voedingsmiddelen geproduceerd die voor een deel in de stad verkocht worden. [Lohrberg, 2001]

De stedenbouwconcepten van meer dan 100 jaar geleden waren al een poging om de inefficiëntie van onze steden structureel te verbeteren. Er werden decentrale concepten voor voedselproductie en hergebruik van organische afvalstoffen uit de stad ontwikkeld. Ook de openbare groengebieden werden productief gemaakt. Dit was een reactie op de enorme groei van de steden maar ook op voedseltekorten ten gevolge van de crisis en de eerste wereldoorlog en een poging om de armere bevolkingslagen minder afhankelijk te maken.

Na de crisis in de dertiger jaren stagneerde de verdere ontwikkeling van de nieuwe concepten en er werd na de tweede wereldoorlog maar door een deel van de stedenbouwkundigen aan verder gewerkt om de voedselvoorziening te verbeteren.

Stadslandbouw en het denken in kringlopen verloren hun betekenis voor de stedenbouwkundigen. Door het gebruik van aardolieproducten voor kunstmest, bestrijdingsmiddelen, transport en koeling en andere vormen van conservering waren deze niet meer nodig.

Urban farming © Albert Dijkhuizen

In de dichtbevolkte en intensgebruikte Randstad is stadslandbouw in de vorm van kassengebieden en weilanden met koeien en schapen aanwezig. Echter is er totaal geen contact meer tussen producent en consument. Door de tussenkomst van veiling en andere handelaren en het nauwelijks bestaan van boerenmarkten wordt de productie door de stadsbewoners niet beleefd. Ook bestaan er nauwelijks kringlopen. De zuivering en verwerking van afvalwater en de verwerking van organisch afval zijn niet aan de productie gekoppeld.

De invloed en waarde van privétuinen voor de stad en de in dit boek behandelde thema’s zoals de wateropgave, hitte, biodiversiteit, enzovoorts, zijn niet of nauwelijks in kaart gebracht. Groene privétuinen hebben een enorme waarde voor de biodiversiteit, het beperken van hittestress en de wateropgave. Bij het bevorderen van het groen houden van privétuinen kunnen participatieprocessen veel betekenen. Door de burger er actief bij te betrekken in praktische zin, voor de bewustzijnsontwikkeling en betrokkenheid. Dit wordt duidelijk in het project EVA-Lanxmeer, zie bij de voorbeeldprojecten.